Publicatie
01-08-2013

Overeenkomst en boedelschulden

Over wederkerige overeenkomsten en boedelschulden

Op 19 april jl. wees de Hoge Raad een baanbrekend arrest dat het insolventierecht op zijn grondvesten deed schudden. In Koot Beheer/Tideman q.q. komt hij met zo veel woorden terug van zijn rechtspraak waarin ‘een verplichting die is ontstaan als gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling’ standaard als boedelschuld werd aangemerkt. Dit door de Hoge Raad gehanteerde criterium voor het ontstaan van boedelschulden – in de volksmond: het toedoencriterium – was al vele jaren voorwerp van scherpe kritiek en het is die aanhoudende kritiek in de literatuur die voor de Hoge Raad mede de aanleiding is het toedoencriterium nu in de ban te doen. En daarbij is het niet gebleven. De Hoge Raad neemt in Koot Beheer/Tideman q.q. tevens de gelegenheid te baat een drieledig ‘criterium’ voor het ontstaan van boedelschulden te formuleren, breidt de verifieerbaarheid van na de faillissementsdatum ontstane vorderingen op de schuldenaar uit en neemt en passant een aantal onduidelijkheden weg omtrent de toepassing van art. 37  en 37a  Fw, die de afwikkeling van door de schuldenaar vóór faillissement gesloten wederkerige overeenkomsten reguleren. Al met al meer dan voldoende ingrediënten voor een nadere beschouwing.

Bijlage: Willem Jan van Andel en Thijs van Zanten in Tijdschrift voor Insolventierecht nr. 4, juli/augustus 2013

01 - 08 - 2013