Publicatie
27-02-2012

Exhibitieplicht

Wetsvoorstel tot verruiming en verduidelijking exhibitieplicht

Verruiming van het recht op inzage, afschrift of uittreksel ex art. 843a Rv 

Sinds 2002 bestaat de huidige exhibitieplicht op basis waarvan recht op inzage, afschrift of een uittreksel van stukken kan worden gevorderd waarover de eisende partij niet beschikt.
De afgelopen jaren wordt in de procespraktijk steeds vaker een beroep op de exhibitieplicht, zoals vastgelegd in art. 843a Rv e.v., gedaan. Dit leidde tot diverse uitspraken omtrent de uitleg van deze bepalingen. In een nieuw wetsvoorstel wordt de exhibitieplicht verduidelijkt in de lijn van de jurisprudentie.

Net als in het huidige art. 843a Rv moet ook volgens het wetsvoorstel voor het inroepen van de exhibitieplicht aan de volgende cumulatieve voorwaarden worden voldaan:

  • de verzoeker moet partij zijn bij een rechtsbetrekking;
  • het verzoek moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden;
  • de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij het verzoek.

Voor het beroep op de exhibitieplicht is het niet noodzakelijk dat het bestaan van een rechtsbetrekking al in rechte vaststaat. Een partij kan er namelijk juist belang bij hebben om bepaalde bescheiden op te vragen om de rechtsbetrekking te kunnen beoordelen. Het wetsvoorstel verduidelijkt dat naast overeenkomsten en onrechtmatige daad ook verbintenissen uit ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling moeten worden gekwalificeerd als een rechtsbetrekking. Net als in het huidige art. 843a Rv moet het woord ‘partij’ in het wetsvoorstel ruim worden uitgelegd. Zo kunnen ook aandeelhouders van een vennootschap onder omstandigheden in een civiele zaak als partij bij een rechtsbetrekking worden aangemerkt.

In de rechtspraktijk wordt er vanuit gegaan dat het niet noodzakelijk is dat degene die de bescheiden bezit en van wie afschrift wordt verlangd eveneens partij is bij de rechtsbetrekking . In het wetsvoorstel wordt wettelijk vastgelegd dat niet alleen de wederpartij maar ook derden gehouden kunnen zijn inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden te verschaffen. Volgens de toelichting zou het namelijk vreemd zijn dat een derde wel verplicht kan worden een getuigenverklaring af te leggen maar relevante bescheiden waarop hij zijn getuigenis baseert niet zou behoeven over te leggen.

Het wetsvoorstel geeft ook meer duidelijkheid wat onder “bepaalde bescheiden” moet worden verstaan. Ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions” moet de partij die inzage van bescheiden wil, deze bescheiden voldoende specificeren zodat het voor de partij die de bescheiden moet overleggen voldoende duidelijk is welke bescheiden moeten worden overgelegd. Degene van wie afschrift van bescheiden wordt verlangd, moet de bescheiden “tot zijn beschikking hebben”. In het wetsvoorstel is bepaald dat het tot zijn beschikking hebben ruim moet worden uitgelegd. Ook indien de aangesprokene niet zelf over de bescheiden beschikt maar deze wel bij een derde kan verkrijgen, zal de aangesprokene deze bescheiden moeten overleggen.

De partij die de exhibitieplicht inroept, moet ook een rechtmatig belang hebben bij het verkrijgen van de bescheiden. Van een rechtmatig belang is sprake indien de eiser de bescheiden nodig heeft voor het bepalen van zijn rechtspositie. Deze voorwaarde biedt de rechter de mogelijkheid om de proportionaliteit en de subsidiariteit van de aanspraak op ‘bepaalde bescheiden’ te beoordelen.

Naast het bestaande verschoningsrecht in art. 843a lid 3 BW is in het wetsvoorstel het verschoningsrecht uitgebreid met het familiaal en strafrechtelijk verschoningsrecht. Daarnaast zal in het nieuwe art. 162a lid 3 Rv worden bepaald dat de overheid als derde geen afschrift van bescheiden hoeft te verschaffen als zij daartoe op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur evenmin verplicht is.

In het nieuwe art. 162b Rv wordt bepaald dat een beroep op de exhibitieplicht, net als het voorlopige getuigenverhoor en het voorlopig deskundigenbericht, moet geschieden door het indienen van een verzoekschrift. Het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak over de rechtsbetrekking tussen partijen kennis te nemen indien deze zaak aanhangig wordt gemaakt. De rechter heeft de discretionaire bevoegdheid om het beroep al dan niet te honoreren.

Indien er al een verzoekschrift- of dagvaardingsprocedure aanhangig is, zal in het nieuwe art. 162c Rv de bevoegdheid aan de rechter worden gegeven om, ter besparing van tijd en kosten, een verzoek/vordering van de ene partij tot afschrift van bepaalde bescheiden bij de andere partij toe te wijzen, zonder dat daarvoor een aparte verzoekschriftprocedure moet worden aangespannen. In de rechtspraktijk wordt een verzoek tot het overleggen van bepaalde stukken nu vaak ook al als incidentele vordering ingediend waarop door de rechter  tijdens de procedure wordt beslist. Het verkrijgen van stukken van derden wordt vergemakkelijkt omdat de vordering tot overleggen van stukken, ook als er al een procedure loopt, nu nog per dagvaarding moet worden ingesteld.

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft inmiddels haar verslag omtrent het wetsvoorstel uitgebracht. Naar verwachting zal het wetsvoorstel binnen afzienbare tijd in de Tweede Kamer worden behandeld. In het wetsvoorstel worden naast de codificatie van de reeds gangbare handelwijze een verruiming en verduidelijking aangebracht op de huidige exhibitieplicht, hetgeen ons inziens de praktijk ten goede zal komen. Ook met het feit dat
de nieuwe artikelen 162a, 162b en 162c Rv worden ondergebracht bij de overige wettelijke regelingen omtrent de bewijsmiddelen wordt het belang van de exhibitieplicht in het wetsvoorstel onderstreept. Zie hier het wetsvoorstel en de toelichting daarop.

27-02-2012

Betrokken advocaten

Expertises