Nieuws
21-12-2020

Tijdelijke Wet Betalingsuitstel in werking getreden

17 december 2020.

Op 17 december 2020 is de Tijdelijke Wet Betalingsuitstel in werking getreden. Wat is de Tijdelijke Wet Betalingsuitstel en wanneer kan ik daar een beroep op doen?

Het is een tijdelijke wet die in principe op 1 februari 2021 komt te vervallen. De wet is niet van toepassing op maatregelen van de Belastingdienst.

Anders dan de naam van deze wet doet vermoeden, is geen algemeen betalingsuitstel geregeld. In feite zijn er drie belangrijke punten opgenomen in de wet:

  • Een schuldenaar kan de rechtbank onder specifieke omstandigheden verzoeken de behandeling van een faillissementsverzoek aan te houden;
  • een schuldenaar kan de voorzieningenrechter onder specifieke omstandigheden verzoeken om beslagen op te heffen of de executie te schorsen; en
  • een tijdelijke afwijking van de Faillissementswet.

Aanhouden faillissementsaanvraag
Op verzoek van een schuldenaar kan de rechtbank de behandeling van verzoek tot faillietverklaring aanhouden gedurende een termijn van maximaal twee maanden (de ‘Aanhoudingsperiode’). De schuldenaar dient daarvoor in redelijke mate aannemelijk te maken dat hij verkeert in de toestand waarin hij uitsluitend of hoofdzakelijk als gevolg van de uitbraak van COVID-19 zijn onderneming niet zoals gebruikelijk heeft kunnen voortzetten en daardoor tijdelijk niet in staat is om voort te gaan met het betalen van zijn schulden.

De schuldenaar zal dan onder meer moeten aantonen dat hij (i) vóór de beperkende maatregelen die gelden sinds 15 maart 2020 voldoende liquide middelen had om zijn opeisbare schulden te voldoen en (ii) sinds de uitbraak van COVID-19 omzetverlies heeft geleden van minimaal 20%. Daarnaast moet het vooruitzicht bestaan dat de schuldenaar na verloop van de Aanhoudingsperiode, zijn schuldeisers wél zal kunnen betalen. Bovendien mag de aanvrager van het faillissement door het uitstel niet onredelijk in haar belangen worden geschaad.

Als de rechtbank het verzoek tot aanhouding toewijst, kan een schuldenaar tijdens de Aanhoudingsperiode niet worden genoodzaakt tot betaling van schulden aan de aanvragers van het faillissement, die vóór de Aanhoudingsperiode zijn ontstaan. Bovendien geldt dat, indien de schuldenaar vóór de aanvang van de Aanhoudingsperiode een betalingsverplichting jegens de aanvragers niet is nagekomen, dit op zichzelf geen grond is voor een wijziging van verbintenissen of verplichtingen, opschorting van de nakoming van een verbintenis of beëindiging van een met de schuldenaar gesloten overeenkomst.

Het is wel van belang dat de schuldenaar de nieuwe verplichtingen die tijdens de Aanhoudingsperiode ontstaan, gewoon voldoet. Als het vooruitzicht er niet meer is dat schuldenaar na de Aanhoudingsperiode nog kan betalen of de schuldeisers alsnog onredelijk worden benadeeld in de Aanhoudingsperiode, wordt de aanhouding van het verzoek opgeheven en wordt de faillissementsaanvraag alsnog behandeld.

Opheffing van beslagen of schorsing van executie
Als de rechtbank het verzoek tot aanhouding van faillietverklaring toewijst, kan zij op verzoek van de schuldenaar ook bepalen dat tijdens de Aanhoudingsperiode de aanvragers hun bevoegdheid tot verhaal op goederen die tot het vermogen van de schuldenaar behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden niet kunnen uitoefenen zonder machtiging van de rechtbank. Daarnaast kan de rechtbank bepalen dat beslagen die gedurende de uitsteltermijn worden gelegd door deze schuldeiser of schuldeisers, worden opgeheven.

Naast het voorgaande kan een schuldenaar ten alle tijden – dus ook als er geen faillissement is aangevraagd – de voorzieningenrechter verzoeken om een beslag op te heffen of de executie te schorsen. Voor de toewijzing van een dusdanig verzoek van de voorzieningenrechter gelden dezelfde voorwaarde als bij het verzoek tot aanhouding van een faillissementsaanvraag.

Een beslag dat is opgeheven, herleeft, zodra de voorzieningenrechter heeft beslist dat de gronden voor de opheffing van het beslag niet langer aanwezig zijn.

Afwijking van de Faillissementswet
Tot slot is in de wet geregeld dat opeisbare schulden in de Aanhoudingsperiode niet op grond van artikel 47 Fw kunnen worden vernietigd door een eventuele toekomstige curator vanwege het feit dat de schuldeiser die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de latere failliet was aangevraagd.

Ook is verrekening in het kader van de voortzetting van de financiering van de onderneming (vaak via een rekening-courant) die niet strekt tot inperking van de financiering, in principe geoorloofd. De schuldenaar wordt dan in ieder geval geacht ‘te goeder trouw’ te zijn geweest. Dat is een afwijking van artikel 54 Fw.