Publication
31-08-2022

Het ontslag van de bestuurders van Stichting Hulptroepen Alliantie op grond van artikel 2:298 BW

Inleiding

Op 28 april 2022 schorst de Rechtbank Amsterdam Sywert van Lienden en Bernd Damme als bestuurders van Stichting Hulptroepen Alliantie vanwege hun rol bij de ‘mondkapjesaffaire’ (ECLI:NL:RBAMS:2022:4160). Circa drie maanden later, op 21 juli 2022, ontslaat de Rechtbank hen definitief als bestuurders en benoemt ter vervanging een onafhankelijk bestuurder (ECLI:RBAMS:2022:2315).

In dit artikel bespreken wij de wettelijke regeling van ontslag en schorsing van bestuurders van een stichting door de rechtbank op grond van artikel 2:298 BW. Wij bespreken zowel het oude recht (tot 1 juli 2021) als het nieuwe recht (vanaf 1 juli 2021). Daarna lichten wij toe hoe de Rechtbank Amsterdam het instrument van artikel 2:298 BW toepast in de procedure tegen Van Lienden en Damme.

Wettelijke regeling van ontslag en schorsing door de rechtbank

Ratio artikel 2:298 BW
Een stichting heeft, anders dan een BV of NV, geen algemene vergadering van aandeelhouders en is niet verplicht een raad van commissarissen in te stellen. Bij de stichting is het bestuur in veel gevallen het enige orgaan van de rechtspersoon. Vaak ontbreekt daardoor een vorm van interne controle op het handelen van het bestuur. De wettelijke regeling van ontslag en schorsing van een bestuurder van een stichting door de rechtbank beoogt een oplossing te bieden voor situaties van wanbeheer of andere tekortkomingen van het bestuur.

Oud en nieuw recht
Tot 1 juli 2021 bepaalde artikel 2:298 lid 1 BW dat een bestuurder van een stichting op verzoek van een belanghebbende of het OM door de rechtbank kan worden ontslagen:

  • wegens een doen of nalaten in strijd met de wet of de statuten;
  • wegens wanbeheer; of
  • wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de rechter op grond van artikel 2:297 BW gegeven bevel.

De Hoge Raad heeft deze ontslaggronden in het verleden beperkt uitgelegd, waardoor ontslag van een stichtingsbestuurder voorheen alleen mogelijk was als er “redelijkerwijs geen verschil van mening kon bestaan over de onrechtmatigheid van het handelen van de bestuurder of wanneer sprake was van financieel wanbeheer” (ECLI:HR:1975:AD4123). In de praktijk bleken deze ontslaggronden echter niet toereikend om het ontslag van een bestuurder te bewerkstelligen wanneer de situatie daarom vraagt. Dit is de reden dat de wetgever de ontslaggronden in artikel 2:298 lid 1 BW per 1 juli 2021 heeft verruimd.

Artikel 2:298 lid 1 BW bepaalt sindsdien dat een bestuurder van een stichting op verzoek van een belanghebbende of het OM door de rechtbank kan worden ontslagen:

  • wegens verwaarlozing van zijn taak;
  • wegens andere gewichtige redenen;
  • wegens een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld; of
  • wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de rechter op grond van artikel 2:297 BW gegeven bevel.

Op feiten die ná 1 juli 2021 hebben plaatsgevonden zijn in beginsel deze ruimere ontslaggronden van toepassing. Voor het handelen of nalaten van bestuurders dat (uitsluitend) vóór die datum plaatsvond geldt het oude recht.

Wie behoren tot de belanghebbenden?
In de praktijk ontstaat er vaak discussie over wie er tot de belanghebbenden bij een stichting kunnen worden gerekend. Dit is van belang omdat iemand die een verzoek ex artikel 2:298 lid 1 BW indient alleen ontvankelijk is als diegene kwalificeert als een belanghebbende. De bestuurder van de stichting waartegen een dergelijk verzoek is gericht, heeft er dan ook belang bij de rechter ervan te overtuigen dat de verzoeker géén belanghebbende is bij de stichting.

De Hoge Raad heeft bepaald dat iemand kwalificeert als belanghebbende in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW als:

  • deze door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang; of
  • deze anderszins zo nauw betrokken is bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (ECLI:NL:HR:2018:1900).

Leden van een orgaan van een stichting, zoals een medebestuurder, commissaris of een partij die op grond van de statuten een goedkeuringsrecht toekomt, kunnen bijvoorbeeld als belanghebbenden worden aangemerkt. Ook een groep (voormalig) werknemers van een stichting kan kwalificeren als belanghebbende. Hetzelfde geldt voor de voormalig bestuurders van een stichting. Van geval tot geval moet aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd worden beoordeeld of iemand kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW.

Voorlopige voorzieningen
Op grond van artikel 2:298 lid 2 BW kan de rechter, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en een bestuurder schorsen. De rechter kan als voorlopige voorziening een of meer (tijdelijke) bestuurders benoemen. Dit kan een uitkomst bieden bij spoedeisende gevallen waarin de uitkomst van het onderzoek van de rechter niet kan worden afgewacht. Als de rechter de geschorste bestuurder na afloop van het onderzoek definitief ontslaat, dan wordt de bestuurder die door middel van een voorlopige voorziening was benoemd vaak definitief benoemd. Dit is praktisch en kostenefficiënt.

De rechter kan ervoor kiezen om één, meerdere of alle bestuurders van een stichting te schorsen en (tijdelijk) te vervangen door één of meer onafhankelijke bestuurders. Het is dus mogelijk dat een door de rechter benoemde bestuurder moet samenwerken met de resterende zittende bestuurder(s) van de stichting. Voor het treffen van voorlopige voorzieningen in het bestuur van een stichting is maatwerk vereist. Het zal per geval afhankelijk zijn van de rolverdeling binnen het bestuur of het nodig is om één, meerdere of alle bestuurders van de stichting te schorsen en (tijdelijk) te vervangen door een onafhankelijke bestuurder.

Bestuursverbod
Artikel 2:298 lid 3 BW schrijft voor dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het wettelijk uitganspunt is dus dat de stichtingsbestuurder die door de rechter wordt ontslagen een bestuursverbod van vijf jaar opgelegd krijgt. Dit verbod geldt alleen voor bestuursfuncties bij stichtingen, waardoor er geen belemmering ontstaat om bestuursfunctie te bekleden bij overige rechtspersonen. Een door de rechter ontslagen bestuurder van een stichting kan het bestuursverbod ontlopen door aan te tonen dat hem geen ernstig verwijt treft. De bewijslast van deze disculpatie, en daarmee het bewijsrisico, rust bij de ontslagen bestuurder.

Rechtszaak Stichting Hulptroepen Alliantie

De civielrechtelijke procedure over de ‘mondkapjesaffaire’ is een mooie toepassing van artikel 2:298 BW. Te midden van de coronapandemie strijken Van Lienden, Damme en Van Gestel via hun BV minstens 20 miljoen euro winst op aan de verkoop van mondkapjes, terwijl zij publiekelijk stellen zonder winstoogmerk te handelen. Op 21 juli 2022 doet de Rechtbank Amsterdam uitspraak in twee gevoegde procedures tegen verweerders Van Lienden, Damme, Van Gestel en Stichting Hulptroepen Alliantie. De ene procedure is aangespannen door het OM en de andere procedure door de medewerkers (en vrijwilligers) die betrokken waren bij de mondkapjesdeal. De inzet van beide procedures is nagenoeg hetzelfde: de schorsing en het ontslag van Van Lienden en Damme als bestuurders van Stichting Hulptroepen Alliantie (Van Gestel was al geen bestuurder meer).

Op 28 april 2022 wijst de Rechtbank het verzoek tot schorsing van de bestuurders van Stichting Hulptroepen Alliantie toe en benoemt in hun plaats een tijdelijk en onafhankelijk bestuurder bij Stichting Hulptroepen Alliantie. Vervolgens buigt de Rechtbank zich in de uitspraak van 21 juli 2022 over de vraag of de mondkapjesaffaire het ontslag van Van Lienden en Damme op de voet van artikel 2:298 BW rechtvaardigt.

Ontvankelijkheid van de verzoekers
De Rechtbank gaat in de laatstgenoemde uitspraak eerst in op de ontvankelijkheid van de medewerkers van de stichting. De stelling van de verweerders dat de medewerkers niet ontvankelijk zijn in hun verzoek omdat zij vooraf geen concrete bezwaren aan het bestuur kenbaar hebben gemaakt, maakt weinig indruk op de Rechtbank. Voor een verzoek op grond van artikel 2:298 BW is dit – anders dan bij een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer – namelijk geen vereiste.

Ook in het verweer dat de medewerkers geen belanghebbenden zijn omdat zij geen cruciale rol zouden hebben vervuld bij de oprichting of organisatie van de stichting worden verweerders door de Rechtbank niet gevolgd. De Rechtbank overweegt in de uitspraak dat een belanghebbende geen formele rol hoeft te hebben vervuld bij de stichting. Daarnaast acht de Rechtbank het van belang dat vaststaat dat de stichting niet tot ontwikkeling zou zijn gekomen zonder de (vrijwillige) inzet van de medewerkers. Tegen die achtergrond hebben de medewerkers volgens de Rechtbank voldoende aangetoond dat zij een zodanige nauwe betrokkenheid hebben met het onderwerp van de procedure dat zij een belang hebben om in de procedure te verschijnen. Ook speelt hierbij volgens de Rechtbank mee dat de medewerkers ten tijde van hun betrokkenheid bij de stichting geen gelegenheid hadden om (intern) eventuele kritiek te uiten op de verweerders. Het belang van de medewerkers ligt daarnaast in de aantasting van hun eer en goede naam die, aldus de Rechtbank, verbonden is aan het mondkapjesschandaal. De medewerkers verkeerden namelijk in de onjuiste veronderstelling dat de organisatie op non profit basis opereerde.

De Rechtbank kiest in deze zaak dus voor een ruime uitleg van het begrip belanghebbende in artikel 2:298 lid 1 BW. Dit oordeel is in overeenstemming met het uitgangspunt van de Hoge Raad dat een brede kring van belanghebbenden het ontslag van een bestuurder van een stichting kan afdwingen.

Toepassing van het oude recht
In de uitspraak bespreekt de Rechtbank vervolgens de gronden voor het verzoek tot het ontslag van Van Lienden en Damme. In de kern wordt hen verweten dat zij vlak na de oprichting van de stichting (Stichting Hulptroepen Alliantie) Goods Alliance B.V. hebben opgericht, daar (indirect) aandelen in hielden en haar onderneming exploiteerden, terwijl dit een directe concurrent was van Stichting Hulptroepen Alliantie. Tussen Relief Goods Alliance B.V. en het Landelijk Consortium Hulpmiddelen is uiteindelijk de mondkapjesdeal gesloten. Verweerders betogen dat deze BV nooit een concurrent was van de stichting, onder meer omdat de twee ondernemingen een andere doelgroep en een ander risicoprofiel hadden.

De Rechtbank constateert echter wel een conflicterend belang tussen Stichting Hulptroepen Alliantie en Relief Goods Alliance B.V., en (dus) een conflicterend belang voor de bestuurders van de stichting. Dat er wel degelijk sprake was van concurrentie blijkt volgens de Rechtbank alleen al uit de identieke statutaire doelstelling van beide entiteiten. Daarnaast profiteerde Relief Goods Alliance B.V. van de naam, goodwill, faciliteiten en werkzaamheden van de vrijwilligers van de stichting. Tegelijkertijd was het onderscheid tussen de BV en de stichting niet helder en werd naar buiten toe verwarring gezaaid over de verschillende entiteiten. Van Lienden gebruikte bijvoorbeeld het logo en de naam van de stichting in de presentaties voor het Landelijk Consortium Hulpmiddelen, terwijl de contractuele wederpartij van het Landelijk Consortium Hulpmiddelen bij de verkoop van de mondkapjes de BV was.

Deze omstandigheden, en met name het creëren en laten voortbestaan van het tegenstrijdige belang, leiden volgens de Rechtbank tot de conclusie dat Van Lienden en Damme in strijd handelden met de statuten van Stichting Hulptroepen Alliantie. In deze statuten staat namelijk dat de bestuurders zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de stichting moeten richten. Dat is volgens de Rechtbank voldoende voor het ontslag van Van Lienden en Damme als bestuurders van Stichting Hulptroepen Alliantie op grond van artikel 2:298 BW (oud).

Toepassing van het nieuwe recht
Interessant is dat de Rechtbank vervolgt met de overweging dat “overigens [Van Lienden] en [Damme] ook op grond van het (sinds 1 juli 2021 geldende) nieuwe recht ontslagen [dienen] te worden.” Daarbij acht de Rechtbank doorslaggevend dat Van Lienden en Damme door hun eigen toedoen betrokken zijn geraakt in een grote maatschappelijke controverse en - ná 1 juli 2021 - een civielrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek door het OM is gestart. Het belang van de stichting bij een diepgaand en onafhankelijk civielrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek is volgens de Rechtbank niet te verenigen met het persoonlijke belang van Van Lienden en Damme bij het voeren van hun eigen verdediging in dat onderzoek. Daardoor is er sprake van ‘andere gewichtige redenen’ die tot het ontslag van de bestuurders moet leiden, aldus de Rechtbank.

Het is opvallend dat de Rechtbank daarbij overweegt dat de vraag of, en zo ja, in hoeverre Van Lienden en Damme in de lopende onderzoeken van het OM kunnen worden vrijgepleit niet hoeft te worden beantwoord, omdat de huidige situatie al meebrengt dat sprake is van ‘andere gewichtige redenen’ die hun ontslag rechtvaardigen. Uit deze overweging van de Rechtbank kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat het OM een strafrechtelijk of civielrechtelijk onderzoek is gestart naar een stichtingsbestuurder een belangrijke factor kan spelen bij de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:298 BW.

Oplegging bestuursverbod
Van Lienden en Damme wordt daarnaast op grond van artikel 2:298 lid 3 BW voor de duur van vijf jaar een verbod opgelegd om bestuurder of commissaris van een stichting te worden. De disculpatiegrond doet zich volgens de Rechtbank niet voor. Van Lienden en Damme hebben ook niet aangevoerd dat hen geen ernstig verwijt treft. Tot slot wordt de initieel tijdelijk benoemde bestuurder door de Rechtbank definitief benoemd tot bestuurder van Stichting Hulptroepen Alliantie.

Vragen?

Bent u betrokken bij een stichting en heeft u vermoedens van wanbeheer of tekortkomingen van het bestuur? Of wordt u als bestuurder of commissaris geconfronteerd met een verzoek ex artikel 2:298 BW? Wij adviseren u graag over de wettelijke regeling van ontslag en schorsing van stichtingsbestuurders door de rechtbank en andere ondernemingsrechtelijke vraagstukken. Neem gerust contact met ons op.