Publication
15-08-2022

De Hoge Raad geeft duidelijkheid over waarschuwingsplicht aannemer bij meerwerk

In een arrest van 1 juli 2022[1] heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over de invulling van de waarschuwingsplicht van de aannemer bij door opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het werk (meerwerk).

Waar ging het in deze zaak over?
In het voorliggende geval hadden de opdrachtgever en de aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten met een vaste aanneemsom van € 9.000,-. De aannemer had de opdracht gekregen om een aantal raatliggers (verhoogde stalen balken met raatvormige openingen) voor de opdrachtgever te maken. Nadat de opdracht was gegeven, stelde de aannemer aan de opdrachtgever de vraag of er nog bewerkingen gewenst waren, waarop de opdrachtgever een verdere detaillering van de raatliggers aan de aannemer heeft toegezonden. Nadat het werk door de aannemer was uitgevoerd, stuurde de aannemer een meerwerkfactuur ten bedrage van € 42.654,36 aan de opdrachtgever.

Procedure eerste aanleg en hoger beroep
Omdat de opdrachtgever het niet eens was met de kosten voor de aanvullende werkzaamheden werd er bij de Rechtbank Limburg en het Gerechtshof Den Bosch geprocedeerd over deze meerwerkfactuur. In die procedures ging het onder meer over de vraag of de aannemer de opdrachtgever had moeten wijzen op de noodzaak van de prijsverhoging. Artikel 7:755 BW bepaalt namelijk dat bij door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemers slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

In beide procedures werd de opdrachtgever op grond van de tenzij-bepaling van artikel 7:755 BW veroordeeld tot betaling van het meerwerk. Volgens het Hof had de opdrachtgever de noodzaak van de prijsverhoging uit zichzelf begrepen, omdat hij in een bericht aan de aannemer had vermeld dat hij begreep dat de aannemer de bestelde raatliggers niet voor een bedrag van € 9.000,- kon maken.

Cassatie bij de Hoge Raad
De uitspraak van het Hof Den Bosch was opvallend, omdat het Gerechtshof Leeuwarden op 24 januari 2012 nog had geoordeeld dat een aannemer op grond van artikel 7:755 BW de omvang van de concreet te verwachten prijsverhoging reëel inzichtelijk moet maken, op straffe van verval van zijn aanspraak op vergoeding.[2] Iets wat de aannemer in de voorliggende zaak niet had gedaan. Zijn opdrachtgever was het dan ook niet eens met de uitspraak van het Hof Den Bosch en ging in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 1 juli 2022 echter dat het bij de toepassing van de tenzij-bepaling in artikel 7:755 BW niet van belang is of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging, dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Dat blijkt volgens de Hoge Raad noch uit het wetsartikel zelf, noch uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:755 BW. Een opdrachtgever moet dus zelf navraag doen bij de aannemer over de omvang van de prijsverhoging als hij door de aannemer op de noodzaak van die prijsverhoging is gewezen of die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

De Hoge Raad bevestigt in dit arrest voorts dat artikel 7:752 BW van toepassing is op het meerwerk, op grond waarvan de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is indien het bedrag van de prijsverhoging niet is bepaald of voor het meerwerk slechts een richtprijs is bepaald.

Conclusie
Voor opdrachtgevers is het zaak om voorafgaand aan het opdragen van meerwerk bij de aannemer te informeren naar de omvang van de (eventuele) prijsverhoging, om vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen. Voor aannemers blijft het daarnaast belangrijk om een opdrachtgever tijdig te wijzen op de noodzaak van een prijsverhoging bij meerwerk. Tenslotte verdient het aanbeveling om vooraf afspraken te maken over de prijs van het meerwerk, teneinde een discussie over de redelijkheid van de prijs te voorkomen.

[1] HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989.

[2] Gerechtshof Leeuwarden 24 januari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6686.