Het enquêterecht wordt herzien

28 - 11 - 2011 Toegangsprocedure aangepast en andere wijzigingen

Op 8 september 2011 heeft minister Opstelten het wetsvoorstel tot aanpassing van het recht van enquête naar de Tweede Kamer gestuurd. Zie hier de tekst van het wetsvoorstel en de toelichting daarop. De belangrijkste wijzigingen luiden: (i) aanpassing van de criteria waaronder aandeelhouders worden toegelaten tot een enquêteprocedure, (ii) de rechtspersoon krijgt zelf het recht om een procedure te starten, (iii) de regeling over onmiddellijke voorzieningen wordt uitgewerkt, (iv) de procedurele waarborgen worden versterkt en (v) de aansprakelijkheidsrisico’s van de onderzoekers en de kostenregelingen veranderen. Deze wijzigingen lichten wij hierna kort toe.

Enquêterecht
Het enquêterecht speelt in het Nederlandse ondernemingsrecht een belangrijke rol. Met name sinds de invoering van de mogelijkheid tot het bevelen van onmiddellijke voorzieningen in 1994, is het aantal enquêteverzoeken sterk gestegen. De enquêteprocedure is snel en gericht op een praktische oplossing en voorziet daarmee in de behoefte van de praktijk.

Door middel van het enquêterecht kunnen geschillen binnen rechtspersonen aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam worden voorgelegd. Wanneer de Ondernemingskamer van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om aan juist beleid te twijfelen, kan zij één of meer deskundigen benoemen om onderzoek te laten doen naar het beleid en de gang van zaken binnen een rechtspersoon. Op basis van het onderzoeksverslag oordeelt de Ondernemingskamer vervolgens of er sprake is van wanbeleid, waarna zij voorzieningen kan treffen. Daarbij kan worden gedacht aan het schorsen of vernietigen van besluiten van de vergadering van aandeelhouders, de schorsing of het ontslag van bestuurders en commissarissen en de (tijdelijke) benoeming van bestuurders of commissarissen en de  (tijdelijke) afwijking van statutaire bepalingen.

In de praktijk is van groot belang gebleken dat de Ondernemingskamer in elke stand van het geding de bevoegdheid heeft om op verzoek onmiddellijke (tijdelijke) voorzieningen te treffen indien dit in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek vereist is.

Toegang tot het enquêterecht aangepast
Aandeelhouders en certificaathouders

De toegang tot de enquêteprocedure voor grote NV’s en BV’s (met een geplaatst kapitaal van € 22,5 miljoen) wordt verzwaard. Aandeelhouders van dergelijke NV’s en BV’s moeten over een aandeelhoudersbelang van tenminste 1% beschikken om toegelaten te worden tot een enquêteprocedure. Voor beursvennootschappen geldt de alternatieve voorwaarde van een belang in de vennootschap van € 20 miljoen (nu: € 225.000) op de dag waarop het verzoekschrift wordt ingediend (artikel 2:346 lid 1 sub c BW). Voor kleinere NV’s en BV’s wijzigt de huidige regeling niet.

De rechtspersoon

De rechtspersoon krijgt het recht om zelf een enquêteprocedure te starten, waarbij de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door het bestuur of de raad van commissarissen (in een one-tier board: de niet-uitvoerende bestuurders). Het bestuur of de raad van commissarissen kunnen daarmee het gedrag en de besluitvorming van de aandeelhouders voorleggen aan de Ondernemingskamer teneinde daarmee (bijvoorbeeld) een impasse op dat niveau te doorbreken. Ook kan via deze weg een impasse tussen bestuur en aandeelhouders worden getoetst door de Ondernemingskamer (artikel 2:346 lid 1 sub d en lid 2 BW nieuw).

Ook een dochtervennootschap die de besluitvorming van haar aandeelhoudersvergadering of het gedrag van haar moeder wenst te laten toetsen door de Ondernemingskamer, kan een verzoek indienen.

De curator

In geval van faillissement van de rechtspersoon kan de curator een enquêteprocedure starten (artikel 2:346 lid 3 BW nieuw). Een curator kan onder omstandigheden namelijk belang hebben bij het oordeel van de Ondernemingskamer dat voorafgaand aan het faillissement sprake was van wanbeleid. De kosten van het opstellen van enquêterapport zijn een boedelschuld. De curator dient zekerheid te stellen voor deze kosten.

Toewijzing verzoek

Het enquêteverzoek kan slechts worden toegewezen, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (artikel 2:350 lid 1 BW nieuw).

Regeling voor onmiddellijke voorzieningen gewijzigd
De voor de toewijzing van de onmiddellijke voorzieningen in de jurisprudentie ontwikkelde afweging tussen de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij haar organisatie betrokken zijn, worden in de wet vastgelegd (artikel 2:349a lid 2 BW nieuw). Onmiddellijke voorzieningen zijn ordemaatregelen die met terughoudendheid door de Ondernemingskamer dienen te worden opgelegd. Bij het opleggen van deze maatregelen moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Indien de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek dat vergt, kan de Ondernemingskamer (net zoals nu) in de toekomst deze voorzieningen treffen.

Net als nu blijft de mogelijkheid bestaan onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap is gestart. Deze mogelijkheid is in het wetsvoorstel wel beperkt. Indien er nog geen onderzoek is gelast, worden onmiddellijke voorzieningen slechts getroffen als de Ondernemingskamer voorlopig heeft geoordeeld dat het enquêteverzoek zal worden toegewezen. De Ondernemingskamer beslist vervolgens binnen redelijke termijn over het verzoek tot het houden van een onderzoek.

Processuele waarborgen onderzoeksfase
In alle gevallen dat een enquêteonderzoek wordt bevolen, wordt een raadsheer-commissaris benoemd. De raadsheer-commissaris krijgt onder meer de bevoegdheid, met het oog op een goede gang van zaken van het onderzoek, op verzoek van belanghebbenden aanwijzingen te geven over de manier waarop het onderzoek moet worden uitgevoerd. Er staat geen beroep in cassatie open tegen de beslissingen van de raadsheer-commissaris (artikel 2:350 lid 4 BW nieuw).

De onderzoekers dienen de in hun verslag genoemde personen in de gelegenheid te stellen om hun visie te geven op de bevindingen (beginsel van hoor- en wederhoor) (artikel 2:351 lid 4 BW nieuw).

Aansprakelijkheidsrisico van onderzoeker beperkt
Het aansprakelijkheidsrisico van de onderzoekers wordt beperkt. Alleen wanneer er sprake is van opzettelijk onbehoorlijk handelen of kennelijk grove miskenning kunnen de onderzoekers aansprakelijk worden gehouden voor de schade die het gevolg is van het onderzoeksverslag. Voorts kunnen de redelijke kosten voor het voeren van verweer door de onderzoekers en tijdelijk aangestelde bestuurders en commissarissen tegen de aansprakelijkstelling voor rekening van de vennootschap komen (artikel 2:350 lid 3, 2:351 lid 5 en 2:357 lid 6 BW nieuw).

Procedureregels aangepast
De praktijkregel dat de Ondernemingskamer iedere belanghebbende tot een bepaald tijdstip voorafgaand aan de zitting gelegenheid geeft een verweerschrift in te dienen, wordt in de wet vastgelegd (artikel 2:349a lid 1 BW nieuw).

Klik hier om terug te keren naar alle nieuwsberichten.